| Stanley Hillis voelde zich zwaar bedreigd door Jotcha Jocic |
|
|
|
| Crimesite - Crimestory |
| zondag 15 oktober 2006 11:00 |
|
Het nieuwe boek van Bart Middelburg en Paul Vughts Oorlog in de Amsterdamse Onderwereld leest lekker weg en is zeer informatief. Zeker voor de geïnteresseerden op Crimesite (en dat beginnen er steeds meer te worden) zal het boek in de categorie naslagwerken veelvuldig gelezen gaan worden. Zo’n beetje alle bekende ‘topcriminelen’ staan erin vermeld. Opmerkelijk is overigens dat er voor het eerst wordt geschreven dat de (eveneens) geliquideerde George Plieger toch een grotere rol had in de zware misdaad dan in het algemeen werd aangenomen.
In het hoofdstuk ‘Dobberende zwarte Paak’ met in de hoofdrol de in 1993 geliquideerde Jaap van der Heijden staat uitvoerig beschreven welke rol George Plieger had en hoe dicht hij bijvoorbeeld bij Henk Orlando Rommy 'Zwarte Cobra' stond. Met een beetje fantasie kan de gemiddelde Crimesite-speurneus toch wel boven het grachtenwater krijgen wie bijvoorbeeld de verantwoordelijke opdrachtgevers waren die de bomaanslag op Jaap van der Heijden hadden beraamd. Dat er een onderwereldoorlog aan zat te komen tussen onder meer Hollandse netwerken en de Joegoslavische maffia, was de Amsterdamse politie in 1992 al vrij snel duidelijk. Die informatie verdween destijds echter in een la, met uiteindelijk een bloedige escalatie tot gevolg. Hoe topcrimineel Stanley Hillis vergeefs zijn nood klaagde bij het bureau Warmoesstraat.
Barsoum sloot zich bij Jotcha aanHaren in het deeg begint met de introductie, opkomst en ondergang van de broers Magdi en Monir Barsoum die beiden in het Amsterdamse werden geliquideerd.
Nadat de Barsoums zich via de hasjhandel, gokbranche hadden gemanifesteerd sloten ze zich aan bij de Joegoslavische maffia in Amsterdam, onder leiding van Jotsa Jocic. Er ontstond een hechte band tussen met name Magdi Barsoum en Jotsa. Dat maakte dat Magdi Barsoum sterk stond bij conflicten in de onderwereld met bovendien een reputatie die meedogenloos kon zijn.
Het later opgeheven bureau Warmoesstraat onderhield volgens de schrijvers van het boek warme contacten met Magdi Barsoum. Op een zaterdag in juni 1992 belde een tipgever naar de Criminele Inlichtingendienst (CID) van bureau Warmoesstraat met de mededeling dat elk moment ‘een grote schietpartij’ kon plaatsvinden ‘in het Wallengebied’, bevestigen verscheidene toenmalige rechercheurs van het bureau.
Hillis: ‘Ze willen mij afschieten.’ Stanley Hillis, ooit begonnen als bankrover en gerekend tot het middenkader van de zogeheten Delta-organisatie, ofwel de criminele erven-Bruinsma, samen met o.a. Jan ‘Snor’ Femer en Robert Mink Kok is het doelwit. Een rechercheur van de CID Warmoesstraat wilde Hilles via diens vriendin benaderen. Tot dat moment was praten met de politie not done in Hillis’ kringen. Hillis belde de rechercheur terug om te bevestigen dat ‘de Joegoslaven’ hem wilden ‘afschieten’.
De rechercheur wilde Hillis ontmoeten om zodoende een oorlog op de Wallen te voorkomen. Hillis wilde wel praten maar verbond daaraan de voorwaarde dat zijn lijfwachten de Warmoesstraat mochten afzetten. De rechercheur hield voet bij stuk en vond het voorstel onbespreekbaar gezien de kans op een confrontatie tussen Hillis’ mannen en de Joegoslaven in een drukbezocht gebied. Zwaarbewapende mannen met riot guns Na ruggespraak met zijn superieuren ging de rechercheur op Hillis’ voorstel in om de ontmoeting te laten plaatsvinden in de buurt van de Klaprozenweg in Amsterdam-Noord. Samen met een stagiaire reed de rechercheur naar de afgesproken plek. Dat Hillis niet alleen zou zijn werd al snel duidelijk toen Jan Femer kwam aanrijden in een BMW bij café De Klaproos. Het enige wat hij zei was ‘Volgen.’
Femer leidde de rechercheurs naar een doodlopende weg diep in het havengebied, waar een complete wegversperring was opgezet. Een paar dwars op de weg geparkeerde auto’s blokkeerden de doorgang. Jan ‘Snor’ Femer gaf de bestuurders opdracht opzij te gaan. De zeven mannen bij de afzetting bleken zwaarbewapend te zijn, met riotguns. Verder, aan de waterkant, leunde Stanley Hillis tegen zijn auto, naast een scheepshelling van een van de werven lang het IJ.
Hij was bloednerveus en angstig, op het oog. Femer reed daarop weer terug naar de afzetting terwijl de rechercheurs bij Hillis bleven.
Platte politieagenten In dat gesprek wat volgde had hij het over platte politieagenten die hem toch niet konden helpen. Hij riep dat hij grote problemen had met Magdi Barsoum, en dat die Barsoum voortdurend overal vanaf wist omdat hij vitale informatie kreeg doorgespeeld van de politie.
Gevoelige CID-informatie zou Barsoum tot een levensgevaarlijke vijand maken, aldus Stanley, en er mopperend aan toevoegde dat deze rechercheur ook wel weer niet te vertrouwen zou zijn.
De rechercheur beloofde serieus aandacht te zullen besteden aan de aanstaande uitbarsting, maar kon geen toezeggingen doen over bescherming van Hillis, zolang deze geen aangifte zou doen. Daar kon, uiteraard, geen sprake van zijn. Met de politie práten was voor Hillis al gênant genoeg .Joegoslaven die Barsoum op hem had afgestuurd, wilden hem ‘afmaken’ en aangestuurd door Jotsa Jocic persten ze zijn coffeeshops af, en ook een videotheek in Amsterdam-West, van weer een ander slachtoffer. Rechercheur verdacht Nadat de rechercheur op het bureau Warmoesstraat was teruggekeerd maakte hij een proces-verbaal op van zijn ontmoeting met Hillis en rapporteerde zijn opmerkelijke bevindingen de maandag daarop ook bij de Regionale Criminele Inlichtingendienst (RCID) op het hoofdbureau aan de Elandsgracht. Dat was destijds de gebruikelijke gang van zaken; het hoofdbureau moest dan beoordelen of er nadere stappen moesten worden genomen, en zo ja, welke. Het hoofdbureau ondernam echter geen enkele actie. Sterker: de rechercheur van de Warmoesstraat kreeg de wind van voren, omdat hij niet zonder overleg met het hoofdbureau met iemand van het kaliber Hillis had mogen gaan praten.
De CID-rechercheur van de Warmoesstraat kwam, als gevolg van zijn pogingen de ontluikende vete tussen Joego’s en Nederlanders in kaart te brengen, later zelfs in de verdachtenbank terecht.Volgens de CID van de Warmoesstraat – die een rondje langs de coffeeshops op de Wallen hadden gemaakt en een bezoek brachten aan de door Hillis genoemde videotheek – werd geen van de uitbaters afgeperst, uit angst of omdat het niet waar was, dat bleef onduidelijk. De lijst van achttien Zoals gezegd was Hillis destijds verdachte in het Delta-onderzoek van het IRT. Dit team luisterde de telefoon van Hillis af, en observeerde hem ook. Op die manier kwam het IRT er ook achter dat Hillis in de zomer van 1992 contacten had gehad met de rechercheur. Het IRT vond dat maar verdacht, en sloot corruptie niet uit. De contacten tussen de rechercheur en Hillis werden daarop door de CID van het IRT op een lijst geplaatst van mogelijke corruptiegevallen – die later bekend zou worden als ‘de lijst van achttien’. Eind 1993 werd het IRT door politie en justitie in Amsterdam opgeheven, omdat het team honderdduizenden kilo’s softdrugs op de markt had laten verdwijnen. De politiekorpsen van Haarlem en Utrecht, die eveneens participeerden in het IRT, gingen daarop publicitair in de tegenaanval: het IRT werd door Amsterdam niet opgeheven vanwege de gehanteerde opsporingsmethoden, nee, Amsterdam hoopte zo corruptie in de eigen gelederen te verdoezelen. Rechercheur wordt vrijgepleit Daarbij kwam vervolgens ook een lijst met achttien mogelijke corruptiegevallen op tafel, waaronder de ontmoeting aan het IJ. De rechercheur kon tegenover de Amsterdamse korpsleiding vrij eenvoudig aantonen, aan de hand van processen-verbaal en de op band opgenomen telefoongesprekken met Hillis, dat hij alleen maar zijn werk had gedaan als CID-rechercheur, en dat er verder niets verdachts was.
De rijksrecherche veegde in een later stadium ook alle andere beschuldigingen van corruptie tegen het Amsterdamse korps van tafel.Marechaussee zat in Barsoums woning De CID van de Warmoesstraat kreeg in diezelfde periode, medio 1992, nog meer gevoelige informatie over Barsoum binnen. Twee vaste informanten van de CID die geregel din de Red Light Bar kwamen en die Magdi Barsoum persoonlijk kenden, vertelden onafhankelijk van elkaar eenzelfde verhaal: ze waren bang als informant te worden ontmaskerd, omdat een bepaalde politieman ‘zeer close’ was met Barsoum. Volgens een van de informanten had die politieman in de bar zelfs een keer vijfhonderd gulden van Barsoum gekregen.
De vrouw van de politieman zou bij justitie werken. Het bleek na onderzoek niet te gaan om een Amsterdamse politieman, maar om een rechercheur die in het verleden bij de inlichtingendienst van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol had gewerkt. De CID’ers kregen in de jaren daarna wel vaker gelijksoortige tips over deze opmerkelijke connectie van Barsoum en rapporteerden dat ook, maar ook daar is nooit enige merkbare actie op gevolgd. Op de dag dat Magdi Barsoum werd geliquideerd (2 maart 2002), werd de marechaussee door de recherche zelfs aangetroffen in Barsoums woning in Buitenveldert. |


Twee rechters in Breda mogen voorlopig geen strafzaken meer doen in afwachting van de uitkomst van een onderzoek naar 'serieuze integriteitschending'. Volgens NRC Handelsblad heeft president Henk Naves van de rechtbank in Breda de twee magistraten 'in de luwte heeft gezet'. 

