| Brief aan Koos Plooij van Marcel Kaatee (11) |
|
|
|
| Justitie - Marcel Kaatee |
| zaterdag 22 mei 2010 15:35 |
UPDATE BRIEF # 11 Slot Geachte heer Plooij, Op 11 mei jl. heeft u ten overstaan van de Haarlemse rechtbank het requisitoir in de strafzaak tegen de heer Paarlberg voorgedragen. Tijdens deze openbare rechtszitting verkondigde u de standpunten van het Openbaar Ministerie. Van dat requisitoir zijn ook kopieën aan de pers verstrekt. Een van de aanwezige journalisten heeft mij gewezen op een opmerkelijke paragraaf in uw betoog dat geheel aan mij was gewijd. In deze paragraaf getiteld ‘8.5.2. Kaatee’ (pagina 144 t/m 148) omschrijft u mij als een ‘adjudant’ van Willem Holleeder en beschuldigt u mij (indirect) opnieuw van strafbare feiten waarvan het gerechtshof mij na jarenlang onderzoek op 3 juli 2009 heeft vrijgesproken.
Media Helemaal onverwacht komt uw aanval niet. In een artikel over het boek ‘Gangsterliefje tegen wil en dank’ van mijn vriendin Priscilla Jourdan schreef Het Parool op 12 april jl.: ‘Het is maar goed dat ze (Priscilla) niet op de tribune zit bij het omvangrijke witwasproces tegen vastgoedmiljonair Jan Dirk Paarlberg, die volgens justitie ruim zeventien miljoen wegsluisde die Holleeder van Endstra had afgeperst. Ook in die zaak laat justitie nu en dan fijntjes blijken bepaald niet overtuigd te zijn van Kaatees onschuld.’ Vrij Nederland publiceerde op 12 mei jl. over uw requisitoir: ‘Grote makke in het requisitoir is het gebrek aan bewijs dat geld van Paarlberg uiteindelijk bij Holleeder is terechtgekomen. Om dat gemis in hun aanklacht te compenseren, schetsten de officieren van justitie een zo belastend mogelijk beeld van de verdachte. Volgens hen knapte Holleeder een klusje op voor Paarlberg, liep de Heineken-ontvoerder ongevraagd het kantoor van de kasteelheer binnen en fungeerde gokhalhouder Marcel Kaatee als een soort van go between tussen afperser Holleeder, witwasser Paarlberg en hun slachtoffer Willem Endstra.’Aansprakelijkheidstelling Van eerherstel na mijn vrijspraak mag wat u betreft kennelijk geen sprake zijn. Uw belastende kwalificaties, insinuaties, leugens en als feiten voorgespiegelde aannames zijn ontoelaatbaar en schadelijk. Ik stel het Openbaar Ministerie bij deze aansprakelijk voor deze nieuwe aantasting van mijn eer en goede naam en alle materiële en immateriële schade die hieruit voortvloeit, zowel zakelijk als privé. In dit verweerschrift zal opnieuw blijken dat vrijspraak de enige en juiste uitkomst was in de strafrechtelijke procedure die u jarenlang tegen mij heeft gevoerd. ‘Voor zover de advocaten-generaal aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat de Wallenpanden afkomstig waren uit afpersing, stelt het hof vast dat daarvoor onvoldoende bewijs voorhanden is. Die afpersing is ook niet aan de verdachte ten laste gelegd. Wat betreft de stelling van de advocaten-generaal dat die panden afkomstig waren uit enig ander misdrijf dan afpersing, geldt eveneens dat dit niet kan worden bewezen. De advocaten-generaal hebben geen bewijsmiddelen genoemd die erop duiden dat Endstra in 1996 de Wallenpanden met crimineel vermogen heeft gekocht. Het hof heeft zodanig bewijs in het Kolbakdossier niet aangetroffen en kan ook overigens niet vaststellen dat de Wallenpanden uit enig misdrijf afkomstig waren. De verdachte moet daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.’ In eerste aanleg had u zelf ook vrijspraak gevorderd op dit punt. Over de getuigenverklaringen die gedurende het onderzoek over mij zijn afgelegd oordeelde het hof: ‘Uit geen der verklaringen van de ter zake gehoorde getuigen en verdachten in het onderzoek kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van afpersing van Endstra. In dit verband komt gewicht toe aan het feit dat uit de uitlatingen van Endstra zelf de betrokkenheid van de verdachte bij zodanig misdrijf niet ondubbelzinnig blijkt, dit terwijl Endstra, door zijn omgang met zowel Holleeder als de verdachte, geacht mag worden zicht te hebben gehad op de relatie tussen hen. Uit Endstra’s uitspraak dat de verdachte “een heel keurige nette jongen” was en uit de uitspraak van Van der Bijl dat de verdachte niet op de hoogte was van criminele activiteiten van Holleeder, vallen eerder aanwijzingen voor verdachtes onwetendheid te ontlenen. Van belang is dat aan Endstra geen vragen meer kunnen worden gesteld over mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij jegens Endstra gepleegde misdrijven.’ Lees hier deel 4 van de brief aan Plooij Lees hier deel 5 van de brief aan Plooij Lees hier deel 6 van de brief aan Plooij Lees hier deel 7 van de brief aan Plooij Lees hier deel 8 van de brief aan Plooij Lees hier deel 9 van de brief aan Plooij Lees hier deel 10 van de brief aan Plooij Lees hier deel 11 van de brief aan Plooij |


De voortvluchtige Clemens K. (42), die 15 miljoen euro verduisterde bij het Fonds Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, komt waarschijnlijk dit voorjaar naar Nederland met een vrijgeleide. Hij zal verklaringen afleggen in zijn zaak, maar niet gevangen worden gezet. In november 2010 is K. bij verstek tot vijf jaar cel veroordeeld door de rechtbank in Amsterdam. 

