De twee kanten van de Kouwe Ouwe

Na lang wachten verschijnt deze week “De Kouwe Ouwe”: een dik boek over de crimineel Stanley Hillis (1946-2011). Hillis is één van de meest mysterieuze figuren in de hoofdstedelijke onderwereld geweest. Hij was van huis uit bankovervaller en (overigens) Hagenees.

Door @Wim van de Pol

Naast die van Willem Holleeder of Klaas Bruinsma is de naam van Stanley Hillis niet al te bekend. Maar dat is ten onrechte. Hillis heeft een flink stempel gedrukt op ontwikkelingen in Amsterdamse onderwereld in de afgelopen decennia, misschien wel een grotere stempel dan Holleeder, Sam Klepper of John Mieremet. Wat dan precies de nalatenschap en invloed is geweest van Hillis is de vraag die schrijvers Martijn Haas en Vico Olling in De Kouwe Ouwe hebben willen beantwoorden. Geen geringe opgave, want over Hillis was bijna niets bekend.

Het is de auteurs gelukt een paar werkelijke intimi in Hillis’ criminele leven te spreken te krijgen en dat is een prestatie van belang, alleen al door de vele (buitenlandse) kilometers die ze ervoor moesten afleggen. Ook slaagden ze erin familie te spreken en zijn achtergrond gedetailleerd te schetsen.

Meedogenloos

Hillis had geen geen gelukkige jeugd in zijn ouderlijk gezin. Liefdeloos, is een woord dat vaker terugkomt in het boek. Zijn vader was een voorbijgaande Canadese militair en zijn moeder kreeg kinderen met andere man. Hij werd een criminele stiefzoon. Ondanks zijn in wat warmte en liefde betreft karige jeugd slaagde Hillis erin zijn hoofd in emotioneel opzicht boven water te houden.

Maar hij werd wel een man van twee gezichten: enerzijds vriendelijk en uiterst loyaal naar vrienden, anderzijds zeer rechtlijnig, graaiend en meedogenloos. Die laatste eigenschappen leidden ertoe dat hij een zeer succesvol bankovervaller en inbreker werd. Als hij ging was hij niet te houden. Dat merkten de autoriteiten al snel: hij ontsnapte menigmaal uit detentie. En hij aarzelde niet toen zijn Franse kompaan Christian B. zwaar depressief zat te tuchten in Hoogeveen. ‘We moeten Fransie eruit halen. Hij zit er helemaal doorheen,’ meende Hillis. En zo geschiedde. Hij was persoonlijk ter plaatse in de tweede auto toen Fransie (of Effie) in 1992 over de muur klom.

Intelligent

Hillis was zeer intelligent en dat hielp waarschijnlijk de belangrijke vriendschap met Mink Kok te smeden. Hij stapte met Kok in de drugshandel. Ze vonden elkaar in hoogst professionele benadering van de criminaliteit waarbij Hillis steeds vooral de doener rond (bijvoorbeeld) de coffeeshops, de verkoop en de incasso’s bleef en Kok de strategische denker.

Kok leverde aan de auteurs een serie unieke beelden van hem en Hillis uit de jaren tachtig. Hillis en Kok als pasja’s op een berg hasj in Libanon. Hillis poserend met aanvalsgeweren en Hillis innig een wietplant omhelzend. Vooral doordat Mink Kok voor het eerst (bijna) vrijuit sprak – althans, vooral over zijn relatie met Hillis en hun werkwijze – is het boek waard gelezen te worden. Het is één van de weinige boeken over de Nederlandse georganiseerde misdaad die flink wat toe te voegen hebben. Nieuwe verhalen, en ook een kijk op het wezen van dat soort criminaliteit. Ook een aanrader voor criminologen en (bijvoorbeeld) beleidsmakers op Justitie.

Mink Kok voorzag de auteurs vanuit zijn woonplaats Beiroet van een hele boedelbak aan anekdotes, die de moorden en de spanningen in Amsterdam van na de eeuwwisseling danig inkleuren. Hij vertelt van binnenuit over de conflicten van Hillis met Amsterdamse Joegoslaven als Sreten Jocic. En in het voorbijgaan ook hoe hij zelf Willem Holleeder het leven redde toen Klepper en Mieremet hem dood wilden schieten, en hij aan Hillis vroeg om in te springen.

Kok en Hillis

De denker en de doener, Cali en Medellín, Yin en Yang. Toch ging het mis tussen de elkaar aanvullende componenten. In 1999 raakte Kok geruime tijd gedetineerd. Aan de geoliede samenwerking met Hillis kwam een eind. Hillis kon het niet aan in zijn eentje, hij was woedend dat Kok vast zat. Eén van de meest opmerkelijke passages in het boek is de lange brief die Kok in 2003 aan Hillis stuurde over een diepe vertrouwensbreuk. Hij staat in het boek geheel afgedrukt. In deze brief neemt hij afscheid van Hillis, hoewel hij nog steeds schrijft van hem ‘te houden’. Een fragment van de brief die Kok vanuit de bajes schreef aan”Theo”:

Beste kerel, ik heb al een paar keer aangegeven dat als er wat is je mij dat maar moet komen vertellen wanneer de tijd daar is. Blijkbaar verkies jij ervoor om een discussie te voeren over mij via anderen.

(…)

Ik ken je al vijftien jaar en ik heb je leren kennen als een man uit één stuk waar ik respect voor heb. Als jij je vriendschap en principes wilt verkwanselen voor geld dan moet je dat gewoon doen en dan mag jij het geld houden dan hou ik wel de eer en de principes. Ik heb schijt aan geld Theo dat moet jij nu wel als geen ander weten ik kan iedereen recht in zijn ogen aankijken en mijzelf in de spiegel. Ik heb geen verwachtingen in je die heb ik alleen in mezelf en ben niet teleurgesteld, ik heb mijn werk gedaan en ik kan er niets aan doen als jij het zelf laat afweten. Ik heb je altijd genomen voor de man die je zelf zegt die je bent en waar je zelf zegt waar je voor staat. Als dat nu anders blijkt te zijn dan prik jij je eigen zeepbel door maar vergeet niet dan ben jij de dief en pleeg jij het verraad in dit geval aan een vriendschap. Als jij gaat lopen verkondigen dat ik piepeltjes voor schut heb gegooid en dat je dossiers hebt waaruit blijkt dat ik de boel heb lopen verraden dan wordt het tijd dat je de namen van die piepeltjes maar eens gaat noemen en die dossiers op tafel gooit. Dat ik mezelf dit zie typen en moet zeggen aan iemand die beter moet weten maakt me misselijk.

(…)

Geld heeft een rare uitwerking op mensen dat weet ik en jij ook en daarom behoor je beter te weten. Dat dat kankergeld bezit heeft kunnen nemen van je en je heeft verblind is jammer, heel jammer. Er is blijkbaar niemand van die jaknikkers en dat klapvee om je heen die je dat wil laten inzien en je gang maar laten gaan.

(…)

Het wordt tijd dat je je verstand weer gaat gebruiken ouwe want zo gaat het niet goed. Ik ben nog steeds je vriend en ik hou nog steeds van je en ik meen wat ik zeg. Maar het wordt tijd dat dit eens goed uitgesproken wordt. Denk maar eens goed na, verder de groeten en het gaat je goed. N. 2 oktober 2003.’

De loyale kant van Hillis was wat Kok betreft verleden tijd. Kok was op de koude kant gestoten. De brief markeert het keerpunt in het leven van Hillis en is de sleutel van het boek. Hillis kwam niet terug.

Het was de tijd van grote spanningen rondom het geld dat bij Willem Endstra was geïnvesteerd. Was Stanley Hillis de man achter het afpersen van criminele investeerders als Willem Endstra? En zat hij ook achter moorden in eigen kring (zie ook: De vriendschap met Stanley Hillis)?

De kouwe kant

Er zijn geen aanwijzingen dat Hillis na de breuk met Kok nog succesvol is geweest in een gestructureerde en lucratieve drugshandel. De auteurs dragen wel aanwijzingen aan dat hij zijn oude stiel weer oppakte. Van inbreken en overvallen naar afpakken, afpersen en incasseren is een korte route. Kok lijkt hier in zijn brief ook naar te verwijzen. In het boek vertelt een aantal slachtoffers niet mis te verstane verhalen over de afpersende en de “kouwe” kant van Hillis.

Steeds duikt echter, zelfs in de verhalen van de slachtoffers, de gestalte van de vriendelijke opa Hillis op. De liefhebber van mooie oude spullen. Lief voor zijn dochter. Nooit te beroerd om een lamp recht te hangen.

Een kennis had in de stad gezegd dat die Ouwe zijn bek moest houden over een lening, hij ging hem echt niet terugbetalen. Hillis ging op bezoek en gaf de man een klap in zijn gezicht. Een week om te betalen, was het devies. ‘Anders is het afgelopen’. Toen Hillis wegliep bleef de schuifdeur van de garage steken. ‘Geef mij even een schroevendraaier, dan fix ik die deur.’ Even later was de deur gemaakt en Hillis retourneerde de schroevendraaier. Hij nam afscheid: ‘je hebt nog een week om te betalen.’

Ceremonieel vorst

Na jaren succes hebben Kok en Hillis elkaar vanaf de eeuwwisseling nog maar één keer gezien. Op een dag in 2010 liepen ze elkaar met lijfwachten en al tegen het lijf in een criminele ontmoetingsplaats, een hotel in Amsterdam-West. ‘Moet er wat gebeuren Lange?’, vroeg één van zijn jongens aan Kok, terwijl zijn schouders zich spanden. Nee, vond Kok. Zou ‘zonde van die goeie jongens’ zijn geweest, zegt hij in het boek.

Hillis gleed af de laatste jaren, een ‘ceremonieel vorst’, zo karakteriseert Kok hem, net als Bruinsma in zijn nadagen. Had Kok zelf geen motief om Hillis te doen, vragen de auteurs? ‘Daar zit als motief wel wat in’, vindt Kok ook, ‘maar ik heb toch altijd een grens getrokken bij oude vrienden. Ik weet ook bijna zeker dat die Ouwe ook niets gedaan zou hebben tegen mij.’

Het kan verkeren in het milieu. De oude vrienden die ooit samen naar Libanon op avontuur gingen. Ieder huns weegs. Kok over de dodelijke aanslag op Hillis in 2011: ‘hij is uit zijn lijden verlost. Ze hebben hem als een hond gewoon in laten slapen.’

Simpel beeld

Het zou prachtig zijn geweest als het boek een slotakkoord had gekend met de antwoorden op de brandende vragen. Welke mensen heeft Hillis laten vermoorden? Wie heeft Hillis vermoord? Het was niet de ambitie van de auteurs om antwoord te krijgen op alle brandende vragen.

Ieder voordeel heb zijn nadeel, zo luidt een bekend Amsterdams spreekwoord. De auteurs hebben als verslaggevers hun werk gedaan. In de Kouwe Ouwe is een groot aantal sprekers opgevoerd, op naam en anoniem. Dat heeft geleid tot prachtige verhalen. De andere kant is dat het leidt tot evenzo vele open eindes en nieuwe vragen.

Een simpel beeld over de figuur Stanley Hillis en zijn bloedige geschiedenis komt niet tot stand. Maar dat beeld is er misschien ook niet.

De Kouwe Ouwe, Uitgeverij Lebowski:

Zie ook: Proosten op de Kouwe Ouwe