Dan Cooper zal nooit gevonden worden

Dan Cooper zal nooit gevonden worden

Deze week werd bekend dat de FBI het onderzoek sluit naar Dan Cooper, de man die in de jaren 70 misschien wel ’s werelds meest mysterieuze misdrijf pleegde. Geen slachtoffers, een enorme buit en een spectaculaire ontsnapping. Hier het grote, ongelooflijke, maar waargebeurde verhaal over De stripheld die een vliegtuig kaapte. (€)

Door Timo van der Eng / Crimesite

De stripheld die een vliegtuig kaapte

Het is 24 november 1971. De VS maken zich op voor Thanksgiving. Op het vliegveld van Portland loopt een man in een zwarte regenjas naar de balie van Northwest Orient Airlines en koopt voor twintig dollar een ticket naar Seattle, Washington, een vlucht van ongeveer een half uur. De man, ongeveer 45 jaar, is goed gekleed. Hij draagt een donker pak, een keurig gestreken wit overhemd en een smalle stropdas met een dasspeld. Aan zijn voeten donkere instappers. Hij is ongeveer 1,80m lang en weegt plusminus 80 kilo. De man maakt zich aan de baliemedewerker kenbaar als Dan Cooper. Zijn enige bagage is een attachekoffertje. Begin jaren zeventig zijn er nog geen speciale veiligheidsvoorschriften op vliegvelden. Daardoor wordt de bagage van de passagiers ook nog niet gecontroleerd.

Eenmaal aan boord van de Boeing 727 gaat Cooper achter in het vliegtuig zitten, op stoel 18C. Hij bestelt een bourbon met soda en steekt een Raleigh filtersigaret op. De 23-jarige stewardess Florence Schaffner uit Arkansas zit op een stoel vlak bij Cooper als vlucht 305 om tien voor drie in de middag opstijgt. Eenmaal in de lucht gaat Schaffner aan het werk. Wanneer ze Cooper achter in het matig gevulde vliegtuig passeert geeft deze haar een briefje. Schaffner, een aantrekkelijke vrouw, is eraan gewend dat mannen haar tijdens een vlucht briefjes geven met hun telefoonnummer, in de hoop een afspraakje met haar te kunnen maken. Ze bedankt Cooper vriendelijk, maar niet geïnteresseerd stopt ze het briefje ongelezen in een van de zakken van haar uniform. Even later loopt ze weer langs Cooper die haar dan wenkt en vervolgens toefluistert: ‘Je kunt het briefje beter even lezen. Ik heb een bom bij me.’ De stewardess opent daarop het papiertje en leest in het briefje dat Cooper een bom in zijn attachekoffertje heeft zitten en dat hij wil dat ze naast hem komt zitten. De eisen zijn met vulpen in een keurig handschrift geschreven. Schaffner stelt haar collega Tina Mucklow op de hoogte van de situatie en gaat vervolgens naast Cooper zitten, die zijn koffertje een klein stukje opendoet. De stewardess raakt overtuigd van de bedoelingen van Cooper als ze in het koffertje een wirwar aan rode elektrische draden ziet die zijn vastgemaakt aan verschillende cilindervormige batterijen. Dan dicteert de man zijn eisen: hij wil $200.000,- (vergelijkbaar met één miljoen dollar tegenwoordig), vier parachutes en dat er moet worden geland op een afgelegen baan van het vliegveld van Seattle waar opnieuw getankt dient te worden.

Niets in de gaten

De 36 passagiers hebben ondertussen niet in de gaten dat het vliegtuig is gekaapt. De bemanning meldt dat er door een klein technisch probleem voorlopig niet kan worden geland en dat ze boven Seattle-Tacoma Airport blijven cirkelen. William Scott, de ervaren 51-jarige piloot van de Boeing 727, heeft inmiddels de vluchtleiding van Seattle-Tacoma Airport op de hoogte gebracht van de kaping. Northwest Orient Airlines besluit op de eisen van Cooper in te gaan en vraagt de fbi het losgeld te verzamelen en de parachutes te regelen.

Na twee uur landt vlucht 305 op Seattle-Tacoma en taxiet het vliegtuig naar een afgelegen, goed verlichte baan. Kort daarna doet Tina Mucklow de vliegtuigtrap naar beneden zodat een medewerker van de luchthaven de vier parachutes en het losgeld (10.000 briefjes van twintig dollar) kan afgeven. Het geld, afkomstig van verschillende banken in Seattle, is verpakt in een canvas tas.

Nadat Cooper de 36 passagiers en stewardess Florence Schaffner heeft laten vertrekken, maakt hij zijn verdere eisen aan de resterende bemanning in de cockpit bekend. Het vliegtuig dient een zuidoostelijke koers te zetten naar Mexico, niet hoger te vliegen dan 3.000 meter met een snelheid van maximaal 190 kilometer per uur. De luchtdruk in het vliegtuig mag niet worden aangepast en de flexibele vleugeldelen van de Boeing 727 mogen maximaal 15 graden worden uitgeklapt.

Na ruim twee uur op het vliegveld van Seattle te hebben gestaan, stijgt de Boeing weer op. Het toestel wordt op gepaste afstand gevolgd door twee F-106 gevechtsvliegtuigen.

Na enkele minuten vliegen stuurt Cooper Tina Mucklow naar de rest van de bemanning. Voordat de stewardess de deur van de cockpit achter zich sluit, ziet ze dat Cooper de koorden van een van de noodparachutes los snijdt en daarmee de canvastas met het geld op zijn buik bindt. Kort daarna begint in de cockpit een lampje te knipperen dat aangeeft dat de vliegtuigtrap wordt uitgeklapt. De kaper heeft twee parachutes omgedaan en loopt de trap achterin het vliegtuig af. In de cockpit gaat een signaal af waaruit blijkt dat de druk in het vliegtuig sterk is veranderd. Het is -7, het regent en stormt als Dan Cooper, gekleed in pak en een regenjas met daaroverheen de twee parachutes, om kwart over acht de pikdonkere nacht in springt.

Het onderzoek van de fbi begint meteen nadat de Boeing is geland in Reno, Nevada. De feds vinden al snel de stropdas en een dasspeld van Cooper in het toestel; ook worden acht peuken en de twee achtergelaten parachutes zeker gesteld. Maar verder ontbreekt ieder technisch bewijs. Om te bepalen waar Cooper geland zou kunnen zijn, wordt de vlucht nog een keer over gedaan, met hetzelfde toestel en met dezelfde piloot. Maar ondanks deze precieze nabootsing blijft het moeilijk te bepalen waar Cooper op de grond zou zijn neer gekomen. De landingsplaats van een parachutespringer wordt grotendeels bepaald door het moment waarop de parachute wordt open gedaan – en over die informatie beschikt het onderzoeksteam niet. Op basis van de eerste informatie besluit de fbi te gaan zoeken in een natuurgebied bij Ariel, zo’n honderd kilometer ten noorden van Portland. Het gebied wordt uitgekamd door agenten en mariniers, in de lucht ondersteund door helikopters en vliegtuigjes. Het nabij geleden Lake Merwin wordt afgespeurd met patrouilleboten. Maar geen spoor van Cooper, of zijn parachute.

Tegelijkertijd gaan de eerste stemmen op die betwijfelen of Cooper de sprong uit het vliegtuig wel heeft overleefd. De weersomstandigheden waren immers extreem (-7, storm, ijsregen) en Cooper, gekleed in pak met regenjas en instappers aan zijn voeten, was nauwelijks uitgerust voor een sprong onder dergelijke omstandigheden. Daar komt bij: het gebied waar de Boeing overheen vloog toen Cooper van de vliegtuigtrap stapte is ruig, bergachtig, en begroeid met een dicht woud van sparren. Als Cooper de sprong zelf al zou hebben overleefd, dan was de kans groot dat hij in de uitgestrekte wildernis was omgekomen.

Daderprofiel

Door het gebrek aan bewijs probeert de fbi een daderprofiel op te stellen. Ze stellen vast dat ze te maken hebben met een intelligente dader die de kaping uitermate goed heeft voorbereid. Zo eiste Cooper vier parachutes waardoor hij de suggestie wekte een gijzelaar mee het vliegtuig uit te nemen – waardoor de fbi het wel uit zijn hoofd zou laten om te knoeien met de parachutes. Cooper was ook goed op de hoogte van vliegtuigen. Hij koos een Boeing 727 omdat dit toestel uitermate geschikt was voor zijn plan. Het vliegtuig had een trap die tijdens de vlucht uitgeklapt kon worden, door de plaats van de motoren kon een relatief veilige sprong worden gemaakt (de kans was nihil dat hij in een van de motoren terecht zou komen). Ook was het toestel was in staat om met een relatief lage snelheid op een beperkte hoogte te vliegen (ook van belang voor een veilige sprong). Daar komt bij dat Cooper weet had van belangrijke details, zoals de flexibele vleugeldelen en de tijd die er nodig was om het toestel vol te tanken.

Hoewel Cooper de kaping goed had voorbereid en hij uitstekend op de hoogte bleek van de verschillende aspecten van vliegtuigen, raakt de fbi er gaandeweg het onderzoek toch steeds meer van overtuigd dat Cooper geen ervaren parachutist was. ‘Een parachutist met ervaring zou nooit in het pikkedonker, in de regen en storm en gekleed in een regenjas en met instappers aan zijn voeten uit het vliegtuig springen’, aldus fbi-agent Larry Carr.

Vanuit de daderanalyse komt de fbi tot de conclusie dat Cooper waarschijnlijk bij de Amerikaanse luchtmacht werkte als cargo loader. Bij een dergelijk beroep is kennis van de luchtvaart vereist. Bovendien dragen cargo loaders noodparachutes, omdat ze niet zelden lading uit een vliegend vliegtuig moeten gooien, en zijn ze verplicht een basiscursus parachutespringen te volgen. Via zijn beroep zou Cooper dus kennis en basisvaardigheden van het parachutespringen hebben kunnen opdoen.

Lichtpuntje in het onderzoek is dat er door de verklaringen van de stewardessen Tina Mucklow en Florence Schaffner een gedetailleerde compositietekening kon worden gemaakt van Cooper (zie de afbeelding aan het begin van dit artikel).

Mogelijke daders

Het plausibele daderprofiel, noch de compositietekening leidt tot de aanhouding van een verdachte. Mogelijke daders zijn er echter genoeg. In de veertig jaar nadat Dan Cooper uit het vliegtuig was gesprongen heeft de fbi onderzoek gedaan naar meer dan duizend mannen die mogelijk de kaper waren. Zoals Kenneth Christiansen, die in 1994 in Minnesota overleed aan kanker. Lyle Christiansen raakte er na de dood van zijn broer van overtuigd dat Kenneth de kaping van de Boeing in 1971 op zijn geweten had. Niet alleen omdat Kenneth daar op zijn sterfbed op zinspeelde, maar ook omdat er nogal wat indirect bewijs was, volgens Lyle. Hij had namelijk een privé detective ingeschakeld om zijn vermoedens bevestigd te krijgen. Zo was Kenneth Christiansen lang in de luchtvaart werkzaam geweest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij parachutist in het Amerikaanse leger, daarna werd hij boordmecaniciën en purser bij Northwest Orient, de luchtvaartmaatschappij van de Boeing die door Cooper werd gekaapt. Christiansen woonde vlakbij Seattle en net als Cooper was hij ongeveer 45 jaar oud ten tijde van de kaping, was hij linkshandig, hield van Bourbon en rookte flink. Florence Schaffner, de stewardess die het briefje met eisen van Cooper ontving, vond dat Kenneth Christiansen op een foto grote gelijkenis vertoonde met de kaper. Maar er was meer. Christiansen kocht vlak na de kaping een huis en leidde een relatief luxe leventje. Hij gaf veel meer geld uit dan hij zich met een karig loon als purser kon veroorloven. Na zijn dood ontdekte de familie dat er op Kenneth’s bankrekening $200.000,- stond. Ook kwamen een zeldzame postzegelverzameling en nogal wat gouden munten boven water. Bovendien vonden de nabestaanden een knipselmap met artikelen over Northwest Orient, en, heel opvallend, de laatste stukken in de map dateerden van vlak voor de kaping.

Ondanks de grote hoeveelheid aanwijzingen beschouwde de fbi Christiansen niet als verdachte van de spectaculaire kaping. Christiansen was kleiner en lichter dan de man die zich uitgaf voor Dan Cooper. Bovendien was hij een te ervaren parachutist en paste als zodanig niet in het daderprofiel. Ook ontbraken directe bewijzen. De fbi heeft geen dna-onderzoek gedaan om te kijken of Christiansen Cooper was.

Een andere man die door sommigen wordt gezien als D.B. Cooper is Richard McCoy, een Vietnam-veteraan die na zijn militaire dienst fervent aan parachutespringen deed. De overtuiging dat Cooper en McCoy een en dezelfde persoon waren stoelde vooral op het feit dat McCoy een paar maanden nadat Cooper uit het vliegtuig was gesprongen, de kaping perfect imiteerde. Ook McCoy kaapte een Boeing 727 en eiste vier parachutes en een aanzienlijk bedrag als losgeld ($500.000,- in plaats van de $200.000,- die Cooper eiste). En ook McCoy sprong uit het vliegtuig. In tegenstelling tot Cooper werd McCoy al snel gepakt. McCoy kreeg 45 jaar gevangenisstraf, ontsnapte na twee jaar door met een vuilniswagen door de gevangenispoort te rijden en vond drie maanden na zijn ontsnapping de dood in een schietpartij met agenten die hem hadden opgespoord.

Sensationeel

In de loop der tijd heeft de fbi verschillende soorten bewijs veiliggesteld. Direct na de kaping worden vingerafdrukken van Cooper aangetroffen op sigarettenpeuken en de twee parachutes, die waren achtergelaten in het vliegtuig. In 2007 zijn de feds in staat om een gedeeltelijk dna-profiel op te stellen van materiaal dat werd gevonden op de dasspeld van Cooper. En microscopisch onderzoek van de das zelf levert in 2011 interessante aanwijzingen op. Op de das worden sporen gevonden van onder andere titanium (in de jaren zeventig nog heel zeldzaam) en aluminium, wat er volgens sommige speurders op zou duiden dat Cooper in de metaal of chemische industrie werkzaam zou zijn geweest.

Maar er is meer. Sensationeel is de vondst van de achtjarige Brian Ingram in februari 1980. Brian is met zijn familie op vakantie in de buurt van Vancouver, een plaatsje in de buurt van Portland. De familie gaat picknicken aan de oevers van de Columbia rivier, in een gebied dat bekend staat als Tina Bar. Als Brian een kampvuur wil maken, graaft hij met zijn handen wat zand weg. Dan stuit hij op iets hards. Brian, later in People Magazine, ‘Terwijl ik aan het graven was voelde ik opeens een soort brok. Ik groef het uit. Aanvankelijk wist ik niet wat het was, maar toen ik het zand er vanaf veegde, zag ik dat het geld was.’

Negen jaar na de kaping vindt Brian Ingram een deel van het geld waarmee Dan Cooper het vliegtuig uit is gesprongen. Het is een zompig pakket dat bestaat uit twee bundels van honderd twintig dollar biljetten en een bundel van negentig biljetten. Totaal vindt de jongen dus $5800,-. De fbi constateert dat de volgorde van de bankbiljetten identiek is aan die waarin zij het losgeld aan Cooper hebben gegeven. De elastiekjes zitten er nog omheen.

De vondst van Ingram levert meer vragen op dan ze beantwoordt. Is het geld daar begraven? Is het meer stroomopwaarts in de rivier gevallen en drijvend elders op de oever terechtgekomen? En wat is er met de ontbrekende 200 dollar gebeurd? Feit is dat dit de enige bankbiljetten van het losgeld zijn die ooit zijn teruggevonden.

Brian Ingram kreeg enkele jaren na zijn vondst de helft van het door hem gevonden geld terug; de andere helft ging naar de verzekeringsmaatschappij die had uitgekeerd aan Northwest Orient. De fbi hield voor de zekerheid zelf veertien bankbiljetten achter in het archief. Ingram liet in 2008 vijftien ‘Cooper-bankbiljetten’ veilen. Hij ontving daarvoor $37.000,-.

Ruim veertig jaar nadat de man die zich uitgaf voor Dan Cooper met $200.000,- uit het vliegtuig sprong, is de zaak niet opgelost. In 2007 doet special agent Larry Carr echter nog een interessante ontdekking: hij komt erachter dat er al vanaf 1954 een Belgisch-Franse stripreeks bestaat met de naam Dan Cooper; de strip gaat over de avonturen van een testpiloot bij de Canadese koninklijke luchtmacht. In een aflevering die vlak voor de kaping in 1971 verscheen, is Dan Cooper op de cover te zien als parachutist. En, om het allemaal nog mysterieuzer te maken, de strip Dan Cooper is nooit in de Verenigde Staten verschenen.