Uit de Bajes: de roemruchte geschiedenis van “Veenhuizen”
Het afgelegen Veenhuizen heeft een goede naam onder de bajesklanten, omdat de twee gevangenissen daar populair zijn. De reputatie is roemrucht: wijlen Cor van Hout liet het er breed hangen en speelde er maffiabaas, en organiseerde er grote feesten. Nu is er een boek met verhalen over de geschiedenis van “Veenhuizen”, onder meer van een oud-bewaarder.
Gestichten
Schrijver van het boek Uit de Bajes is Clemens van den Brink, zoon van deze cipier die er werkte van 1938 tot 1946.
In Veenhuizen bouwde de Maatschappij van Weldadigheid voor wezen, bedelaars en landlopers in 1823 drie gestichten. Rond 1859 werden deze gestichten overgenomen door de rijksoverheid en omgevormd tot Rijkswerkinrichtingen: een strafkolonie.
In 1900 bouwde het Rijk twee nieuwe gevangenissen: Esserheem en Norgerhaven. Van oorspronkelijke gestichten werden er twee afgebroken, terwijl één overbleef als werkplaats. Zo zijn dus vanaf die tijd twee gescheiden gevangenislocaties ontstaan, die nog steeds in gebruik zijn penitentiaire instelling (PI).
Gras
Voor langdurig gedetineerden is het vandaag de dag relatief prima toeven in deze instellingen. Zo is er enig contact met de natuur mogelijk.
Een levenslang gestrafte vertelde ooit dat hij van blijdschap huilend in het gras lag te rollen, omdat hij meer dan tien jaar geen gras had geroken of gezien.
Kaal
Ooit was het er veel minder.
Zo werden de zware misdadigers bij binnenkomst in Veenhuizen kaal geschoren en letterlijk op water en brood gezet, en uitgedost in ruw en zwaar textiel met een bruine kleur, zodat het wel leek alsof de gevangenen in jute aardappelzakken waren gekleed.
Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er veroordeelde oorlogsmisdadigers te zitten tussen de gewone populatie. Dat leverde hen geen prettig verblijf op. Zo moest voormalig SS-Hauptsturmführer Ferdy Aus der Fünten, die tienduizenden Nederlandse Joden liet wegvoeren, met de strontkar rijden om de emmers met ontlasting bij de cellen te verzamelen.
Ook oorlogsmisdadigers Franz Fischer en Joseph Kotella zaten er, voordat de drie uiteindelijk naar de Koepelgevangenis in Breda werden overgebracht.
Slikkers
Het zware regime van vroeger tijden in Veenhuizen heeft cipier Van den Brink nog volop meegemaakt. Het regime was zo afschuwelijk dat gedetineerden geregeld heel erg “bajesmaf” werden.
Sommigen deden er alles aan om opgenomen te worden in het ziekenhuis. Zo was er een categorie “slikkers”, mannen die glas, naalden, balpennen of bestek inslikten waarna ze werden geopereerd en opgenomen. Ook trokken gedetineerden na een operatie hun wonden weer open om langer in de ziekenboeg te kunnen blijven. Anderen deden zelfmoordpogingen.
Cor en geld
Er zijn maar weinig bekende criminelen die niet enige tijd in Veenhuizen hebben doorgebracht. De meest absurde verhalen doen de ronde over Heineken-ontvoerder Cor van Hout. Van Hout meende dat voor geld alles te koop was en zelfs in Veenhuizen was dat het geval.
Van Hout slaagde erin barbecues te organiseren op het ruime grasveld, waarbij de duurste wijnen op tafel kwamen. Ook bier en sterke drank bleken in zijn tijd in de inrichting ruim verkrijgbaar, althans voor wie de juiste contacten had en ruim in de slappe was zat. Ook drugs waren er in overvloed te krijgen.
Van Hout liet verder op zijn kosten Lee Towers en de zusjes Maywood optreden. Zo leek het bajesleven in Veenhuizen in de jaren tachtig en negentig soms meer op een vakantiekamp voor stoute jongens dan op een strafinrichting.
De schrijver Clemens van den Brink werd in 1940 geboren in het Oude Tweede Gesticht, nu deel van het Nationaal Gevangenismuseum in Veenhuizen.