Vrijspraak na duistere schietpartij Leidschendam

Vrijspraak na duistere schietpartij Leidschendam

Een verdachte die door de rechtbank was veroordeeld tot mede plegen van poging tot doodslag is door het gerechtshof in Den Haag vrijgesproken. De aanwezigheid van de verdachte bij de schietpartij en het weg maken van het wapen was niet voldoende bewijs voor mede plegen van poging doodslag.

Leidschendam

Robbert W. (32) reisde op 20 september 2013 samen met medeverdachte G. vanuit Eindhoven naar zijn vriendin in Leidschendam. Zijn vriendin werd regelmatig lastig gevallen door haar buurman. Na een kort gesprek met de vriendin belden ze aan bij de buurman om verhaal te halen ore de bedreigingen. Vrijwel direct daarna is de buurman in zijn buik geschoten.

Rechtbank

De rechtbank is ervan uitgegaan dat G. een wapen bij zich droeg en Robbert W. hem de opdracht gaf om te schieten op de buurman. W. en G. zijn daarom veroordeeld tot vijf jaar cel, voor mede plegen van poging tot doodslag.

De zaak draait met name om de vraag wie het wapen heeft meegebracht. De rechtbank overwoog dat G. het wapen meebracht de twee verdachten stelden dat de buurman twee wapens in huis had. Een eerste wapen waarmee hij direct na het aanbellen dreigde en een tweede wapen dat hij pakte nadat het eerste was afgepakt.

Tegenstrijdig

Een probleem in de zaak was dat de verklaringen van de drie betrokkenen soms tegenstrijdig zijn op essentiële punten. Het slachtoffer zegt dat G. het wapen meebracht. G. en W. zeggen dat de buurman wapens had. De rechtbank kwam tot de conclusie dat het verhaal van de verdachten onwaar moet zijn geweest, mede omdat ze pas een jaar na de feiten zijn aangehouden en hun verhaal aan de feiten in het strafdossier hebben kunnen aanpassen.

G. heeft geschoten

Het gerechtshof stelt nu dat de precieze gang van zaken niet meer ‘buiten gerede twijfel’ is vast te stellen. Wel vast staat dat medeverdachte G. heeft geschoten. Wat de werkelijke toedracht is maakt het hof ook niet uit.

Het hof bekijkt vooral de vraag of de aanwezigheid van Robbert W. voldoet aan de eis van het mede plegen, namelijk de vereiste nauwe en bewuste samenwerking in een gezamenlijke uitvoering.

Niet vast

Als de lezing van het slachtoffer juist was, namelijk dat de verdachten het wapen meebrachten, staat volgens het hof niet vast dat W. mede pleger was. Dan zouden ze er namelijk tevoren van moeten hebben uitgaan dat er zou worden geschoten en moeten hebben afgesproken om dan te proberen de buurman dood te schieten, en dat is volgens het gerechtshof niet bewezen.

En als de lezing van G. en W. juist was, namelijk dat de buurman de wapens had en G. in een dreigende situatie schoot, dan ziet het hof W. weer niet als mede pleger van de poging tot doodslag en is alleen G. schuldig.

Dat W. zich niet heeft gemeld bij de politie en mogelijk aanwezig was bij het wegmaken van het wapen maakt volgens het gerechtshof de zaak niet anders.

Robbert W. was in hoger beroep gegaan, medeverdachte G. had zijn hoger beroep eerder ingetrokken.