18 jaar voor doodslag op vrouwen in 1990 en 1991

18 jaar voor doodslag op vrouwen in 1990 en 1991

De rechtbank Rotterdam heeft donderdag Schiedammer Albert B. (59) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar voor de doodslag op de kwetsbare vrouwen Berendina Stijger (45) en Francis Garcia-Hofland (22) in 1990 en 1991.

Zwervend bestaan

De eis van het Openbaar Ministerie was twintig jaar.

De twee slachtoffers leidden een zwervend bestaan en een van hen werkte als prostituee. De 45-jarige Berendina Stijger werd in september 1990 dood gevonden in een nis op de kade onder de Willemsbrug, achter een vuilcontainer. Een voorbijganger op de Willemsburg hoorde rond het tijdstip van de moord nog een vrouw om hulp roepen.

Negen maanden later werd straatprostituee Francis Garcia-Hofland (22) vermoord aangetroffen op het talud van de Westzeedijk. Beide locaties zijn niet ver van elkaar in het centrum van Rotterdam.

De zaak kwam vorig jaar pas aan het rollen door de resultaten van een dna-verwantschapsonderzoek.

Geweld en seks

De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat beide slachtoffers op zeer gewelddadige manier maar ook in seksuele context zijn gedood. Deze omstandigheden vallen volgens de rechtbank ‘als een mal’ over elkaar heen en lijken op veel punten zeer veel op elkaar.

Vervolgens is vastgesteld dat degene die verantwoordelijk is geweest voor de gewelddadige handelingen die tot de dood van beide slachtoffers heeft geleid ook verantwoordelijk is voor de seksuele agressie tegen de vrouwen.

Sperma

Het op de vrouwen aangetroffen sperma is van dezelfde man afkomstig. En dat sperma bleek ook van de verdachte te zijn.

De rechtbank ziet in het dossier nog een groot aantal bijkomende omstandigheden die de beslissing dat B. de dader moet zijn geweest onderbouwen en verstevigen.

Onaannemelijk

Ook gaat het vonnis in op onderzoek, dat in opdracht van de rechtbank is gedaan, naar andere doodslagen op prostituees uit dezelfde tijd. Alternatieve lezingen van de feiten, in verband met die andere prostituees in dezelfde periode, en de hypothese dat er misschien een andere dader in het spel was, heeft de rechtbank als onaannemelijk terzijde gelegd.

Ziekte

De maximaal mogelijke gevangenisstraf voor deze delicten was destijds 20 jaar. Het tijdsverloop, het gedrag van de verdachte van de afgelopen bijna 30 jaar en de persoonlijke omstandigheden, waaronder de huidige, zeer slechte psychische gezondheidstoestand van de verdachte, zijn voor de rechtbank aanleiding de gevangenisstraf te verlagen tot 18 jaar.

Aan de hand van rapportages van o.a. het Pieter Baan-centrum kan geen verband kan worden gelegd tussen de ziekte van de verdachte in de jaren negentig en de delicten. Daarom kan de rechtbank geen uitspraak doen over de kans op herhaling en is tbs ook niet aan de orde.