Deskundige pleit voor prominentere rol videoreconstructie in strafproces

Deskundige pleit voor prominentere rol videoreconstructie in strafproces

Rechercheur Jan van Manen, sinds 1987 lid van het Landelijk Video Reconstructie Team (LVRT), noemt het een ‘ernstige lacune in ons strafprocesrecht’ dat de videoreconstructie niet is vastgelegd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Hij zegt dat in zijn proefschrift en in het magazine Opportuun van het Openbaar Ministerie.

Bijzondere opsporingsmethode

De videoreconstructie in het strafproces is een verhoor waarbij handelingen op de plaats delict worden nagespeeld en opgenomen. Het maken ervan, wat gemiddeld vijftien keer per jaar gebeurt, wordt gedaan om de toedracht helder te krijgen bij ernstige misdrijven.

Van Manen promoveerde eind vorig jaar op het onderwerp, op basis van zijn proefschrift ‘De videoreconstructie in het strafproces’. Hij geldt als de grootste deskundige op dat gebied in Nederland. Van Manen pleit ervoor om de videoreconstructie te benoemen tot bijzondere opsporingsmethode en dergelijke richtlijnen vast te stellen.

Geweldsdelicten

In Van Manens onderzoeksperiode, van 2000 tot 2018, betrof ruim 93 procent van de reconstructies geweldsdelicten, en in bijna 80 procent was er sprake van een geweldsdelict met een dodelijke afloop. In 7,7 procent van het aantal moorden en doodslagen in Nederland is een videoreconstructie uitgevoerd.

Antwoorden

Het naspelen, opnemen en registreren van de handelingen die al in proces-verbalen geregistreerd staan, geeft geregeld het antwoord op prangende vragen. Wat is er precies gebeurd op de plaats delict? Klopt het verhaal van de verdachte, of is het wél een mogelijk scenario? Was het fysiek mogelijk om een misdrijf te plegen?

Was een slachtoffer of getuige in staat om exact te zien en te horen wat een verdachte zou hebben gedaan? Passen verklaringen wel of niet bij het sporenbeeld op de PD? En als meerdere personen verdacht zijn, wat was dan ieders rol in het geheel?

Ondanks de gezond-kritische blik, wil Van Manen de videoreconstructie breder onder de aandacht van procespartijen brengen.

“De audiovisualisering, waarbij je kunt horen en vooral zien wat er is gebeurd, doet meer recht aan de werkelijkheid. Ik heb diverse zaken gehad waarbij men aan de voorkant dacht ‘dit scenario kan nooit’, en in de reconstructie vervolgens bleek dat het wel kon. Je had er alleen niet aan gedacht dat het ook op die manier kon. Met de videoreconstructie kun je toetsen of jouw beeld klopt met de realiteit. Er zijn genoeg zaken waarbij het uitvoeren van zo’n reconstructie zonde van tijd en geld is, maar zeker bij twijfelgevallen geeft het vaak dat extraatje dat je nodig hebt voor de waarheidsvinding.”

Verdediging op achterstand

Sinds 1993 zijn ruim 300 reconstructies door het LVRT uitgevoerd en geregistreerd. Bij de reconstructie staat de verdediging wat op achterstand, weet Van Manen. Daar waar de officier van justitie en de rechter zelf bevoegd zijn tot het laten uitvoeren van een reconstructie, moet de advocaat van de verdachte een verzoek tot de rechter richten. Bovendien wordt de verdediging nauwelijks vanaf het begin meegenomen, zegt Van Manen.

“Misschien ligt het ook wel aan de verdediging zelf – dat laat ik in het midden – maar meestal worden ze in een latere fase betrokken, en dan is het vooral: Op welke datum kunnen we de reconstructie doen? Bent u en uw cliënt beschikbaar en wil hij meedoen?”

Op basis van de gegevens die Van Manen voor zijn onderzoek had, kon hij in slechts 28 gevallen achterhalen wie het initiatief tot een videoreconstructie had genomen. Twaalf keer was dat de verdediging, elf keer de officier, vier keer de rechter of rechter-commissaris en één keer een deskundige. Wel heeft de rechter in 47 zaken een verzoek tot videoreconstructie van de verdediging afgewezen.

“In een aantal zaken was de motivering van de rechter hiervoor summier of riep die vooral vragen op. Overigens leert mijn onderzoek dat in de toegewezen reconstructies de verdediging zelden van de uitvoering ervan profiteert. In slechts een gering aantal zaken wordt het aangedragen bewijs door de reconstructie ontkracht.”

Meestal leidt de rechter-commissaris de videoreconstructie, soms laat de rechtbank de regie over aan de officier van justitie. Dat laatste is volgens rechercheur Jan van Manen niet ideaal.

“De officier van justitie staat vaak lijnrecht tegenover de verdediging. Hij richt zich als aanklager vooral op de mogelijkheden om tot een kansrijke vervolging te komen. Dan kan het lastig zijn de twee petten van ‘vervolger’ en ‘procesbewaker’ tegelijkertijd te dragen. Daarom beveel ik aan dat videoreconstructies onder regie en eindverantwoordelijkheid van een rechter plaatsvinden. Die zit wat onafhankelijker in het hele proces.”