Is de rechtsstaat er voor de burgers? (COLUMN) 

Is de rechtsstaat er voor de burgers? (COLUMN) 

Een grondbeginsel van onze rechtsstaat is dat zowel bij het maken als bij het uitvoeren van wetten zoveel mogelijk rekening gehouden moet worden met de belangen van burgers. Het is zonder meer verbijsterend dat onze overheid jarenlang dit grondbeginsel met voeten heeft getreden door onschuldige burgers ten onrechte te beschuldigden van fraude, en ze jarenlang keihard ten onrechte behandelde als criminelen.

Door Arthur van der Biezen

Dit zorgwekkende beeld van onze rechtsstaat komt naar voren in het rapport van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag met de veelzeggende naam “Ongekend onrecht”. Over de rol en het functioneren van onze rechtelijke macht, door de samenleving ingehuurd en aangesteld als hoeders van onze rechtsstaat, concludeert de commissie als volgt:

…dat ook de (bestuurs)rechtspraak jarenlang een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het in stand houden van de niet dwingend uit de wet volgende, spijkerharde uitvoering van de regelgeving van de kinderopvangtoeslag. Daarmee heeft de bestuursrechterspraak zijn belangrijke functie van (rechts) bescherming van individuele burgers veronachtzaamd. De commissie is met name geraakt door het (tot in oktober 2019) wegredeneren van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die zouden moeten dienen als stootkussen en beschermende deken voor mensen in nood.

Schokkend en beangstigend

Rechters die burgers géén bescherming bieden tegen onze eigen almachtige overheid. Een schokkend en beangstigend beeld. De commissie constateert vervolgens dat de betrokken individuen géén schijn van kans hadden om hun recht te halen.

Door deze optelsom van onvermogen om recht te doen aan het individu, hebben ouders jarenlang geen schijn van kans gehad. De commissie is gedurende haar werkzaamheden eerst met verbazing en uiteindelijk met diepe verontwaardiging tot dit besef gekomen. Zij doet een dringend beroep op alle betrokken staatsmachten om bij zichzelf te rade te gaan hoe in de toekomst herhaling kan worden voorkomen en hoe het ontstane onrecht kan worden rechtgezet.

Moedige en gedurfde conclusies die glashelder zijn. De overheid, inclusief de rechterlijke macht, krijgen in dit vernietigende rapport de opdracht om rechten van burgers in de toekomst beter te beschermen en te respecteren.  Conclusies die doen denken aan het rapport van de commissie Van Traa, waarin ook te lezen viel dat de overheid de regels en grondbeginselen van het recht beter in acht diende te nemen. Naar aanleiding van een ‘crisis in de opsporing’ werd toen een parlementaire enquête gehouden waarin de gehele strafrechtketen tegen het licht werd gehouden. Ook toen al werd de passieve houding van de rechter bekritiseerd. Te lezen viel in het eindadvies:

Het inzicht van de zittende magistratuur in het gebruik van opsporingsmethoden is over het algemeen gering. Te vaak heeft de rechter een te passieve rol gespeeld bij de beoordeling van gebruikte opsporingsmethoden. CID-operaties zijn nauwelijks door de rechter beoordeeld. De Hoge Raad heeft, zo is de indruk van de commissie, in zijn jurisprudentie de praktische weg gekozen om de opsporing niet te veel in de wielen te rijden.

Corrigerend effect

En de geschiedenis herhaalt zich. Ook de laatste jaren heeft de Hoge Raad ervoor gekozen om de opsporing niet te veel in de wielen te rijden en vooral niet kritisch te staan tegenover ‘grensoverschrijdende opsporing’. Van enig corrigerend effect is géén sprake meer. In de lagere rechtspraak is er op het punt van ‘correctie’ soms een lichtpuntje te ontdekken.

Zo oordeelde de rechtbank te Groningen half december vorig jaar in een omvangrijke antibioticazaak, waarmee ik al jaren bezig was, dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard diende te worden omdat zij haar boekje te buiten was gegaan bij het runnen van informanten. De rechtbank oordeelde na een verwijzing van de Hoge Raad dat:

De vermenging van werkzaamheden en bevoegdheden bemoeilijkt in ernstige mate het doen van onderzoek naar de rechtmatigheid van de start van het onderzoek. Gelet op hetgeen de rechtbank hierover uiteen heeft gezet, ziet zij geen mogelijkheden om de verdediging compensatie te bieden voor het eerder door het Hof vastgestelde ernstige vormverzuim, en verklaart het OM derhalve niet ontvankelijk in de vervolging.

Wellicht gloort er dus nog licht aan het einde van de tunnel.

Arthur van der Biezen is strafrechtadvocaat in Den Bosch