Verkrachting en moordpoging in Rotterdam

Verkrachting en moordpoging in Rotterdam

In het huiveringwekkende Over de rand schrijft Arianne Grootendorst over de verkrachting in haar woning die ze ternauwernood overleefde, het opsporen van de dader en de gebeurtenissen in de rechtszaal. Het waargebeurde verhaal leest als een thriller en wordt afgewisseld met passages uit het originele politiedossier.

Crimesite las het boek. Hieronder een voorpublicatie. Later deze week een interview met de schrijfster.

[bol_product_links block_id=”bol_54117a572146c_selected-products” products=”9200000056557939″ name=”Crimesite boeken” sub_id=”” link_color=”003399″ subtitle_color=”000000″ pricetype_color=”000000″ price_color=”CC3300″ deliverytime_color=”009900″ background_color=”FFFFFF” border_color=”FFFFFF” width=”395″ cols=”1″ show_bol_logo=”undefined” show_price=”1″ show_rating=”1″ show_deliverytime=”1″ link_target=”1″ image_size=”1″ admin_preview=”1″]

 

Gedurende een seconde staat de wereld stil. De man die mijn woning is binnengedrongen en mij heeft verkracht en aangevallen blijft me aankijken, en trekt dan met een bruuske beweging het mes terug. Gelijk met de terugtrekkende beweging van het mes volgt het bloed. Geen sijpelend bloed, maar een harde straal die anderhalve meter verder tegen de muur spuit. Het gevolg is een rode wolk van spetters tegen een wit vlak. Mijn aanvaller ziet de straal bloed langs zich heen spuiten, volgt hem met zijn ogen naar de muur, kijkt vervolgens naar de deur en verdwijnt, geruisloos en snel.

Ik weet geen geluid uit te brengen, en blijf verbijsterd achter. Mijn oren spitsen zich, maar ik kan hem niet de trap af horen gaan. Ik hoor niets. Alleen het suizen van mijn oren. Als een toeschouwer zag ik hem steken. Ik was verrast door de snelheid van zijn handelen en ik zag de voldoening in zijn ogen toen hij stak. Maar hij is nu weg, en ik leef nog. Het bloed gutst met kracht uit mijn hals. Ik grijp ernaar met mijn rechterhand.

Handelen, ik moet tot actie overgaan. Snel. Ik richt me op en reik naar de telefoon. Ik heb heel hard een dokter nodig. De telefoon hangt in de tussenkamer aan de muur. Het is een zwarte telefoon in een zwarte houder, met een gedraaid zwart snoer en witte toetsen. Ik graai ernaar met beide handen. Maar mijn linkerhand reageert niet. Mijn hele linkerarm doet niets en het bloed blijft maar stromen.

Met mijn rechterhand grijp ik de telefoon en trek hem mee naar de ronde tafel in het midden van de kamer. Ik leg hem op tafel en laat hem los om de toetsen in te drukken. Maar de telefoon schiet weg. Ik moet het opnieuw proberen, en nu de telefoon goed tegenhouden. Mijn bloed en zweet druppelen op het toestel. Het gaat niet, ik kan niet tegelijkertijd het toestel vasthouden en het nummer intoetsen. De witte cijfers op het zwarte toestel zijn inmiddels rood van het bloed.

Ik kijk op, luister en realiseer me dat hij terug kan komen, terug de kamer in. Ik heb hem niet horen weggaan. Wat moet ik in godsnaam doen? Ik sta hier leeg te bloeden, telefoneren lukt niet en via het trappenhuis kan ik niet weg want misschien staat hij daar nog. Hij kan me horen.

Dan neem ik een besluit. Ik moet hier weg. Ik wil hier niet sterven. Ik heb nog één kans. Onder mij op de eerste etage woont een arts in opleiding samen met zijn vriendin. Hij kan het bloeden stoppen en hulp halen. Als het fout gaat, zal ik beneden in de tuin sterven. Beter dat dan boven, waar niemand mij zal vinden.

Mijn arm bungelt levenloos langs mijn lichaam en zwiept tegen de balustrade van mijn balkon, als ik de deur achter me dichtsla. Hoe meer obstakels tussen hem en mij, hoe beter. Ik kijk niet om, bang te zien dat hij achter me aan komt. Mijn enige kledingstuk, een wit met bloed doordrenkt T-shirt, plakt tegen mijn lichaam.

Het touw, ik ben op weg naar het dikke, blauwe schipperstouw dat mijn vader tien jaar geleden aan mijn balkon heeft bevestigd. Een touw dat reikt tot net voorbij het balkon onder mij. Voor als er brand op de trap uitbreekt, had hij gezegd. Ik had hem uitgelachen, maar vond zijn zorgzaamheid ook lief. Nu gaat dit touw misschien mijn leven redden. Ik zwaai mijn linkerbeen over de reling, pak met mijn rechterhand het touw en gooi mijn linkerarm naast het balkon. Het regent maar ik voel het niet. Ik voel alleen maar angst, doodsangst. Ik heb dringend hulp nodig en moet me richten op mijn doel, overleven. Mijn rechterbeen volgt mijn linkerbeen en arm en ik zet me af, op weg naar het diepe zwarte gat onder mij. Slechts enkele uren daarvoor had ik niet kunnen denken dat ik die nacht halfdood aan een touw zou hangen. Een doodgewone doordeweekse woensdagavond.

En zo hang ik aan het touw, met alleen mijn rechterhand. Mijn linkerarm zwiept stuurloos naast me. Ik heb me afgezet, de diepte in, en ik zak, ik zak te snel. Te snel, ik voel het touw door mijn hand snijden en mijn lichaam hangt zwaar langs het touw. Ik knijp in mijn hand en probeer mijn lichaam af te remmen. De snelheid neemt niet af, en voordat ik kan bedenken dat dit niet goed gaat aflopen voel ik iets tegen mijn bovenbenen klappen. Het balkon van mijn onderburen. Nu of nooit, denk ik. Ik laat het touw los, gooi mijn bovenlichaam naar voren en val met een doffe bons op het balkon van de buren. Mijn zicht is vaag, mijn dichtgeslagen oog ziet niets meer en het is donker, heel donker.

Even lig ik stil en dan probeer ik te bewegen. Ik voel of alles het nog doet, en ik sta op. Tot zover heb ik het gered, ik ben niet neergestort in de tuin. En ik ben verder weg van hem, denk ik. Nu nog naar binnen. Ik ben gevallen op het balkon en dat moet op zijn minst alarmerend zijn geweest voor de onderburen. Maar achter het grote donkere raam, dat uitkijkt op het balkon, gebeurt niets. Er is geen licht, geen geluid, geen hulp. Ik sla op het raam en bonk vervolgens met mijn arm keer op keer tegen het glas, rustig en regelmatig. Het raam reageert. Het resoneert en na de zoveelste klap volgt een explosie van geluid en glas. Het hele raam spat uit elkaar. Pas dan krijg ik enig zicht op de kamer. Van achter het verdwenen raam verschijnt de onderbuurman in beeld. Hoog boven zijn hoofd is een stoel geheven, klaar om mij neer te slaan. Ik hef mijn nog werkzame arm en roep: ‘Help, ik heb een slagaderlijke bloeding, bel 112!’