Vrijspraak in verdwijningszaak Van Dillenburg teruggedraaid

Vrijspraak in verdwijningszaak Van Dillenburg teruggedraaid

Het gerechtshof in Amsterdam heeft woensdag de vrijspraak van de 52-jarige Ad K. teruggedraaid en hem in hoger beroep toch veroordeeld tot 16 jaar gevangenisstraf voor doodslag op Patrick van Dillenburg (in 2002) en het wegmaken van diens stoffelijk overschot. De rechtbank sprak K. in 2021 hiervan vrij.

Geen moord

De opgelegde straf – 16 jaar – is lager dan de eis van het Openbaar Ministerie, van 18 jaar gevangenisstraf. Het hof acht anders dan het OM niet bewezen dat sprake is geweest van moord. Een tweede verdachte (Fred T.) is inmiddels een natuurlijke dood gestorven.

Van Dillenburg (38) verdween in januari 2002. Een grootschalig politieonderzoek leidde toen niet tot de oplossing van de zaak.

Undercoveragenten

K. werd enkele jaren geleden aangehouden na de inzet van undercoveragenten in een Werken Onder Dekmantel (WOD)-traject door de politie in de periode 2017 tot februari 2019. De undercoveragenten hadden in deze periode contact met hem. K. vertelde aan de undercoveragenten over zijn betrokkenheid bij de dood van Van Dillenburg. Details van zijn verklaringen bleken juist, op grond van feiten en omstandigheden die in het dossier zijn vermeld. Het gerechtshof vindt ook dat er sprake is van ondersteunend bewijs.

Het hof concludeert dat K. Van Dillenburg om het leven bracht door hem door het hoofd te schieten en vervolgens zijn hoofd in te slaan. Hij maakte het lichaam daarna samen met een ander weg door deze eerst te begraven, later op te graven en het in een shredder te versplinteren, waarna de resten over een bollenveld zijn uitgestrooid.

Opnames

De rechtbank oordeelde dat de verslaglegging van het WOD-traject op onderdelen niet volledig was geweest. Daardoor kon niet beoordeeld worden of K. beperkt was in zijn verklaringsvrijheid. De informatie van de undercovers kon daarom niet worden gebruikt voor het bewijs.

Het Openbaar Ministerie stelde tegen deze vrijspraak hoger beroep in.

Het hof oordeelt nu dat wel voldoende zicht is gekregen op de uitvoering van het WOD-traject door de opgemaakte processen-verbaal en door opnames van belastende gesprekken. Opnemen van het hele WOD-traject is geen vereiste, stelt het hof.