Drugs doorlaten en de IRT-affaire (COLUMN)

Politie-informant “Paul” sprak in een interview met de EenVandaag over het op grote schaal onder het toeziend oog van de Nederlandse politie en justitie doorlaten van containers met cocaïne in de Rotterdamse haven.

Door Arthur van der Biezen

Letterlijk zei Paul:

Ze weten precies wat er aankomt. (…) Ze zijn al enorm lang op de hoogte van containers met dit soort transporten.

Paul heeft het dan over een opsporingsmethode die in Nederland in de jaren negentig bekend werd onder de naam “Delta-methode”: het op grote schaal doorlaten van (hard)drugs om zodoende een beeld te krijgen van de personen die erachter zitten. Deze IRT-affaire heeft uiteindelijk geleid tot een parlementair onderzoek waarbij het gehele opsporingsapparaat onder de loep werd genomen. De parlementaire enquêtecommissie van Maarten van Traa.

Crisis

Deze commissie concludeerde in februari 1996 dat er sprake was van een  ‘crisis in de opsporing’. Deze crisis omvatte drie elementen: ‘ontbrekende normen, een niet goed functionerende organisatie en problemen in de gezagsverhoudingen’. De commissie stelde dat er ‘de afgelopen vijf à tien jaar een wildgroei in opsporingsmethoden’ heeft plaatsgevonden en dat strikte normering noodzakelijk zou zijn. Dit gebrek aan regelgeving zou hebben geleid tot ‘een gebrek aan inzicht in en controle en toezicht op de gehanteerde opsporingsmethoden hetgeen onverantwoord is’.  De Commissie Van Traa constateerde en onverantwoord gebrek aan transparantie en controle waardoor het behoorlijke bestuur uit het oog werd verloren. De overheid was tekort geschoten zo was de snoeiharde conclusie.

Transparant

Onder het toeziend oog van politie en justitie hadden criminele burgers miljoenen verdiend en waren zo onaantastbaar geworden. Dit moest definitief veranderen in de ogen van de Commissie Van Traa. De cultuur van geheimhouding moest verdwijnen en uitgebreide wetgeving werd wenselijk geacht om de opsporing ‘transparant , open en eerlijk te maken’ en bovenal diende de handelingen de de opsporingsinstanties ‘toetsbaar en inzichtelijk’ te worden. Het rapport:

De cultuur van geheimhouding is naar het oordeel van de commissie te overheersend. Aan informanten kan géén absolute garantie van anonimiteit gegeven worden. De rechter, eventueel de rechter-commissaris, dient ook het werk van informanten te kunnen toetsen. Alle relevante informatie ten behoeve van de opsporing dient in processen-verbaal te worden vastgelegd. De commissie meent dat in de afgelopen jaren de balans is doorgeslagen naar het beschermen van informanten ten koste van de rechtstatelijke eisen van openbaarheid en verantwoording. Daarbij heeft zich de paradox voorgedaan dat naarmate de effectiviteit en het belang van de informant voor de politie toeneemt, het moeilijker wordt de informatie daadwerkelijk te gebruiken en te verantwoorden.

Na het rapport van de commissie van Traa zijn de opsporingsmethoden vastgelegd in verschillende nieuwe wetten waarvan de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet Bob) te belangrijkste was. Deze wijzigingswet van het Wetboek van Strafvordering trad in werking in februari 2000 nu al weer circa 17 jaren geleden.

Cultuur van geheimhouding

Ondanks alle goede bedoelingen van de commissie Van Traa en de wetgever is er van één cruciaal punt van kritiek op de opsporing niets maar dan ook niets terecht gekomen, en dat is de nagestreefde ‘openbaarheid en verantwoording’.

Sinds de commissie van Traa is er in de rechtspraktijk gesteund door de rechtspraak van de Hoge Raad en lagere rechtsprekende instanties een soort “cultuur van geheimhouding ontstaan” die zijn weerga en omvang niet kent.

Nooit maar dan ook vrijwel nooit toetst een rechterlijke instantie rechtstreeks bij een informant hoe het nu precies in de “voorfase” is gelopen.  Slechts in héél bijzondere gevallen mogen advocaten de chef van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) horen om, vanuit zijn indirecte en afgeleide kennis, te vernemen dat alles volgens de regels is verlopen en dat hij bij doorvragen niets relevants kan en mag vertellen.

Anoniem

Wij zijn in Nederland inmiddels gegroeid en helaas gewend geraakt aan het fenomeen dat de opsporing grotendeels en overwegend in het geheim verloopt. Een opsporing die niet direct toetsbaar is alles behalve transparant. Zo worden omvangrijke opsporingsonderzoeken begonnen gebaseerd op volledig anonieme en niet toetsbare TCI informatie. Worden burgers op internet en televisie opgeroepen om vooral maar anoniem hun tips te spuien onder volledige garantie van anonimiteit.

Vertrouwen

En zo gebeurt het. Het is niet toetsbaar voor rechters, laat staan transparant voor de advocatuur. En iedere strafrechtadvocaat merkt dat het langzaam maar zeker steeds erger wordt. Rechters leggen een lat voor het toekennen van verzoeken van de verdediging steeds hoger met de magische woorden “vertrouwen in ambtsedige processen verbaal” en “vertrouwen” op wat buitenlande opsporingsinstanties aan onze opsporingsdiensten ter hand stellen.

Douanier

Terug naar de Rotterdamse haven. De TCI heeft (zéér opmerkelijk) zijn bestaan schriftelijk erkend. Niet alleen Paul is op de hoogte te zijn van het systematisch doorlaten van grote hoeveelheden harddrugs in de haven van Rotterdam. Ook de douanier die zich momenteel terzake verdenking van corruptie dient te verantwoorden, erkent dat.

Met verve hebben de verschillende advocaten (waaronder ondergetekende) betrokken bij de verdediging in deze zaken betoogd dat nu eens de onderste steen boven dient te komen en dat Paul, maar ook alle overige betrokkenen bij deze gang van zaken, gehoord dienen te worden en dat alle relevante stukken boven water dienen te komen.

Het zal mij zeer benieuwen in hoeverre dit nu uitgezocht gaat worden en of de rechters inderdaad de moeite gaan nemen nu eens “transparantie en toetsbaarheid” te laten prevaleren boven geheimhouding en bescherming van al dan niet toelaatbare opsporingsmethoden.

U gaat het horen.

Arthur van der Biezen is strafrechtadvocaat.

Alle columns van Aerthur van der Biezen.