Oude Doos #1: Van Mechelen en de moord op de Haarlemmerstraat

Oude Doos #1: Van Mechelen en de moord op de Haarlemmerstraat

De nu van grootschalige cocaïne-importen verdachte Belgische oud-politieman Willy van Mechelen heeft iets met Nederland. Direct duikt oud-officier van justitie Fred Teeven weer op. En ook: een moord op de Amsterdamse Haarlemmerstraat en een partij cocaïne die onder de ogen van de FIOD zomaar verdween. Dat laatste dossier werd staatsgeheim.

Door @Wim van de Pol

Het is voor de fijnproevers, maar toch. Mensen als Van Mechelen zijn goed voor mooie verhalen uit de oude doos. Net als Fred Teeven overigens. De Nederlandse link met Van Mechelen behoort tot de duistere en onbegrijpelijke passages in de carrière van de Amsterdamse officier van justitie Fred Teeven (in het boek Fred en de Wet staan er nog meer beschreven).

Eerst de moord op Martin Swennen op de late avond van 14 maart 1996, in café De Blauwe Druif in Amsterdam.

Criminele burgerinfiltrant

De Belg Martin Swennen was in 1995 bij verstek veroordeeld tot drie jaar cel in een onderzoek van de Antwerpse gerechtelijke politie (GP) naar grootschalige importen van softdrugs via containers die in Antwerpen arriveerden. Swennen was even weg, ondergedoken in Amsterdam.

De Vlaamse onderzoeksrechter Jacques Mahieu was er inmiddels achtergekomen dat Willy van Mechelen als chef bij de BOB oogluikend had toegestaan dat Swennen containers binnenbracht. Die containers waren – onder andere – bestemd voor de Nederlander Johan V., alias “de Hakkelaar”. In het diepste geheime runde Van Mechelen Martin Swennen als criminele burgerinfiltrant. Mahieu twijfelde: deed Van Mechelen dat voor eigen gewin? Of om met infiltrant Swennen de Nederlandse contacten zoals De Hakkelaar in beeld te krijgen? Of allebei?

Van Mechelen werd aangehouden (en uiteindelijk veroordeeld).

Bewijsmateriaal

Swennen hoopte ondertussen onder zijn veroordeling uit te komen. Hij had immers gewerkt als informant voor de Rijkswacht. En hij wist dat Willy Van Mechelen zaken deed met grote Nederlandse criminelen.

Swennen had in Nederland al langer contact met de inlichtingendienst van de Rotterdamse politie. Via hen legde hij contact met onderzoeksrechter Mahieu in Antwerpen. Volgens Belgische rechercheurs van de GP werd afgesproken dat Swennen bewijs zou aandragen voor corrupte ontmoetingen die Van Mechelen zou hebben met Nederlandse criminelen. Informatie, foto’s en geluidsmateriaal zouden door hem worden doorgegeven aan de Rotterdamse CID’ers.

Op de ochtend van 15 maart 1996 zaten de Rotterdamse rechercheurs op de afgesproken locatie te wachten op Swennen, die uit Amsterdam zou moeten komen. Maar Swennen kwam niet opdagen. Hij lag in een mortuarium in Amsterdam. De avond tevoren was hij doodgeschoten op de Haarlemmerstraat, volgens getuigen na een ruzie. Hij was 43 jaar.

Eerder op de avond had hij nog een gesprek gehad met de Amsterdamse officier van justitie Fred Teeven. (tekst gaat door na reclame)

Wat zo gek was

De Amsterdamse rechercheurs die het doodschieten van Swennen onderzochten wisten aanvankelijk niks van het contact met Teeven. Een rechercheur in Fred en de Wet:

Maar wat nou zo gek was: iedereen wist dat wij er maar niet achter konden komen wat Swennen in zijn laatste uren had gedaan. Totdat we die informatie kregen van de Rotterdamse en Belgische collega’s. Toen pas wisten we ook van het contact met Teeven. Teeven was niet naar het onderzoeksteam gekomen om dat te melden, terwijl hij dat natuurlijk wel had moeten doen.

Mahieu zocht het hogerop

Onderzoeksrechter Mahieu was door de dood van Swennen extra gemotiveerd om zijn Rijkswacht-collega Van Mechelen te ontmaskeren. Hij richtte zich tot Fred Teeven met het verzoek om informatie over de contacten die Van Mechelen kennelijk had gehad met Nederlanders. Teeven deed immers onderzoek naar Johan V. en andere criminelen. Zoals de groep van Stanley Hillis en Mink Kok.

Wat bleek: Teeven speelde prima bewijs tegen Van Mechelen door over twee Antwerpse containers. Maar hij gaf niets over diens contacten met Nederlandse criminelen.

Mahieu zocht het hogerop. Hij ging persoonlijk op bezoek bij het parket in Amsterdam. Zijn visite bij hoofdofficier Hans Vrakking over de moord en Van Mechelen trok zoveel aandacht dat het in de kranten kwam te staan. Vrakking beloofde publiekelijk medewerking.

Het bleef doodstil.

Mahieu vond dat vreemd, ook al omdat hij wist dat Fred Teeven niet één keer, maar twee keer met Swennen had gesproken. Waarover had Teeven dan met Swennen gesproken?

Tien jaar

De schutter nam na het doodschieten van Swennen kalm plaats aan de bar van De Blauwe Druif voor een laatste slok en een sigaretje. Hij wachtte rustig op de politie. Kort daarvoor was hij nog razend geweest. Hij had ruzie gemaakt met Swennen en uitgeroepen: ‘jij praat met de politie’. Ook in een soort dagboekje, dat bij hem thuis werd gevonden, had Van E. opgekrabbeld dat Swennen met de politie sprak.

De rechtbank ging later uit van doodslag. Schutter Ton van E. kreeg wel straf, maar niet zoveel: tien jaar cel.

Een vervolging voor moord had voor de hand gelegen, het gebeurde niet. De veroordeling voor doodslag – en niet voor moord – kwam tot stand omdat de collega van Fred Teeven bij het Amsterdamse parket Van E. niet vervolgde voor moord. De officier van justitie betoogde dat de schutter helemaal op eigen initiatief en in een ruzie had gehandeld. En toevallig een pistool bij zich had.

Omdat het Amsterdamse parket in het dossier geen bewijs voor moord aandroeg kwam in de rechtszaak Willy Van Mechelen niet aan bod. Ook niet dat Martin Swennen op het punt had gestaan opzienbarende informatie over de corrupte Van Mechelen en zijn contacten met Nederlandse criminelen aan te leveren.

Evenmin dat Fred Teeven op de avond van de schietpartij nog met Swennen had gesproken. En al helemaal niet waar dat gesprek over was gegaan. De kwestie bleef dus rusten in de grote oude doos.

Bedreigde getuige

Totdat in 2003 de bedreigde getuige Peter Dijkstra zich meldde bij justitie. Hij wilde verklaren tegen Mink Kok (over een moord in Alkmaar in 1993). In de daarop volgende rechtszaak bleek na stevig doorvragen van de advocaten Nico Meijering en Adèle van der Plas dat het Openbaar Ministerie hele verklaringen van deze bedreigde getuige in de kluis had gelaten.

Dat waren nu net verklaringen waarin Dijkstra Fred Teeven beschuldigde van aannemen van miljoenen aan steekpenningen van Mink Kok. En een bewering over Martin Swennen.

Dijkstra zei dat Teeven aan de groep van Mink Kok en Stanley Hillis had doorgegeven dat Martin Swennen in Amsterdam was, zodat die kon worden vermoord.

Frits Posthumus

In 2006 lekte via het NOS-Journaal naar buiten dat het Openbaar Ministerie een Rijksrecherche-onderzoek naar deze beweringen over Teeven had gelast. Het stond onder leiding van Frits Posthumus (later bekend geworden als advocaat-generaal in het Passage-proces en in de zaak van de moorden in de Staatsliedenbuurt).

Posthumus bestudeerde dossiers en hoorde getuigen en kwam een half jaar later met zijn (vertrouwelijke) bevindingen. Zijn geruststellende algemene conclusie was dat de verhalen van Dijkstra eenvoudig naar het rijk der fabelen konden worden verwezen. Posthumus kon op tal van manieren aantonen dat de beweerde betalingen niet kunnen hebben plaatsgevonden op de manier zoals Dijkstra die beschreef. Bovendien: Dijkstra had in 2006 over verschillende aspecten ook anders verklaard dan in 2003. Teeven zelf zei ervan overtuigd te zijn dat iemand de verklaring van Dijkstra tegen hem had ingestoken.

Onjuiste constateringen

Maar Teeven komt er niet helemaal ongeschonden van af. Over de kwestie Swennen noteerde Posthumus:

Er is geen begin van aannemelijkheid dat Teeven informatie over de verblijfplaats van Swennen heeft doorgegeven aan iemand in de omgeving van Kok.

Dat gezegd hebbende doet Posthumus in zijn rapport vervolgens onjuiste constateringen. Volgens Posthumus kwam de naam Mink Kok níet voor in het onderzoek naar de dood van Swennen. Inderdaad: niet in het rechtbankdossier dat het Amsterdamse parket van Teeven samenstelde. Maar de recherche in Amsterdam wist wel dat schutter Van E. een bekende was van de groep van Hillis en Kok, en zelfs dat hij daar een schuld zou hebben, aldus de eerder genoemde Amsterdamse rechercheur.

Verder had Teeven zelf eerder al een verband tussen Van Mechelen, Swennen en Mink Kok geschetst – tegenover Posthumus (in 2006) vond hij het beter daarover te zwijgen.

In de nasleep van de IRT-affaire had Teeven (in 2001) namelijk uitgebreid verteld ervan overtuigd te zijn dat er een relatie was tussen Swennen, Van Mechelen en de (verdachte) Haarlemse CID van Klaas Langendoen. Omdat onderzoek naar Swennen niks had opgeleverd was Teeven in 1998 zelfs geheime oriënterende gesprekken met Mink Kok gaan voeren, aldus Teeven zelf. Dat was geweest om alle corruptie dan maar via de crimineel Kok in kaart te brengen (wat niks opleverde).

Dat alles was Teeven in 2006 bij Posthumus kennelijk vergeten. Hij zei zelfs keihard dat er geen enkel verband was tussen Swennen en Kok. Posthumus liet het maar zo. Hij herinnerde Teeven niet aan zijn eerdere overtuiging.

Agenda

Dan de afspraak tussen Teeven en Swennen op de avond van de doodslag.

In alle gedetailleerdheid en dossierkennis die Posthumus in zijn verslag aan de dag legt rept hij niet over de afspraak van Teeven en Swennen om elkaar op de voor Swennen fatale dag te ontmoeten. In het verhoor van Teeven kwam ter sprake wat Swennen op 14 maart heeft gedaan. Teeven verklaarde – na het checken van zijn agenda – dat hij die dag geen afspraak met Swennen had gehad. Posthumus liet ook dat maar zo.

De conclusie mag zijn dat Teeven kennelijk niet wilde spreken over zijn contacten met Swennen. En ook niet over Willy Van Mechelen en zijn Nederlandse connecties.

Teeven gaf in 2014 geen commentaar op vragen die hem werden gesteld naar aanleiding van het boek Fred en de Wet, met verwijzing naar zijn geheimhoudingsplicht.

Zie ook:

Oude doos (#2): Staatsgeheime container TRIU462221-6 (COLUMN)