Oude doos (#2): Staatsgeheime container TRIU462221-6 (COLUMN)

Oude doos (#2): Staatsgeheime container TRIU462221-6 (COLUMN)

Onder de ogen van de bejaarde Belgische oud-politiechef Willy Van Mechelen, nu opnieuw verdacht van grootschalige drugshandel, verdween in 1996 zomaar 160 kilo cocaïne uit een container. Die raadselachtige container werd een Nederlands staatsgeheim.

Door @Wim van de Pol

De zaak speelde speelde precies vanaf de periode dat de Belgische politie onderzoek deed naar drugssmokkel door Martin Swennen en Rijkswachter Willy Van Mechelen tot net na de moord op Martin Swennen, in 1996 op de Haarlemmerstraat in Amsterdam. In het boek Fred en de Wet is de zaak, onder meer aan de hand van het FIOD-dossier, gereconstrueerd.

200 kilo cocaïne

In januari 1995 speelde de criminele inlichtingendienst in Amsterdam aan de FIOD anonieme informatie door over een voorgenomen cocaïnesmokkel. Vanuit Colombia zou een container met cocaïne onderweg zijn naar Europa. Fred Teeven en de FIOD startten een onderzoek. Volgens de informatie zou de container zeker 200 kilo cocaïne bevatten. Na onderzoek bleek dat de bewuste container met nummer TRIU462221-6 via Amsterdam overzee naar Antwerpen zou gaan.

Gewapende FIOD-medewerker

In het FIOD-dossier staat beschreven hoe Teeven namens het Amsterdamse parket regelde dat er in Amsterdam een gewapende FIOD-medewerker aan boord ging. Ook regelde Teeven toestemming om in België een Nederlands observatieteam te mogen inzetten. De kapitein van het schip bevestigde later in een verhoor de aanwezigheid van die gewapende ambtenaar. Eenmaal in Antwerpen maakte die gewapende FIOD-medewerker direct dat hij weg kwam. Hij werd gezien door de kapitein van het schip toen hij buiten het haventerrein in een rode Opel Ascona stapte, die daar al stond te wachten. (tekst gaat door onder reclame)

Niet gestackt

De container werd gelost maar niet gestackt (gestapeld) tussen de andere containers. Hij kwam apart te staan in opdracht van Willy Van Mechelen van de Bijzondere Opsporingsbrigade (BOB). Op 7 februari ging de container in opdracht van de BOB van het haventerrein af. Hij kwam op de openbare weg te staan, op de Noorderlaan in Antwerpen.

De volgende dag ging de container weer terug het haventerrein op. Daar haalde een chauffeur van de criminele organisatie de container weg om hem naar Apeldoorn te brengen. Op het “interchange-formulier” vulde de chauffeur in dat er beschadiging aan het hang en sluitwerk was, en dat het zegel van de container was verbroken. In Apeldoorn deed de politie een avondlijke inval en de container werd in beslag genomen.

Er zat geen 200 kilo cocaïne in.

De Telegraaf

Op het marineterrein in Amsterdam-Kattenburg werd door de politie de gehele container ontleed en er bleek slechts 39,75 kilo aan boord te zijn.

Maar die ochtend stond in De Telegraaf al te lezen dat er 200 kilo cocaïne was gepakt. De krant had de primeur kennelijk de avond tevoren van iemand in het onderzoek ingefluisterd gekregen: ‘mega-drugsvondst in container’. De krant schreef dat een heel speciale ‘commandokamer’ van de FIOD de container vanuit België gewapend in de gaten gehouden tot aan de ‘gecontroleerde aflevering’. De vangst maakte deel uit van ‘de verbeten jacht’ van officier van justitie Fred Teeven op Johan V., alias de Hakkelaar.

Bijsturen

Het Amsterdamse parket probeerde na de onjuiste Telegraaf-publicatie berichten in andere media bij te sturen. Het Parool schreef in de middag eerst dat het Openbaar Ministerie in Amsterdam er ‘nog niet in geslaagd’ was ‘de exacte hoeveelheid cocaïne vast te stellen’. En het ANP schreef dat ‘al zeker zestig kilo ruwe cocaïne’ was gevonden (wat ‘ruwe’ cocaïne precies inhield stond er niet bij). Het Openbaar Ministerie had het ANP verzekerd dat de hoeveelheid genoeg was om ‘honderden kilo’s voor de verkoop uit te vervaardigen’. Het Algemeen Dagblad kwam weer bij de 200 kilo uit: de krant hield het erop dat er uit die zestig kilo ‘ongeveer 200 kilo’ kon worden gemaakt.

De vangst was en bleef 39,75 kilo cocaïne.

Wie tipte wie?

Tijdens de rechtszaak sprongen de advocaten bovenop het gedoe over de hoeveelheid cocaïne. Bovendien kwam uit documenten naar boven dat de container was verplaatst en opengemaakt. Er was dus hoogstwaarschijnlijk 160 kilo gepikt. De dief moet een tip hebben gehad dat er 160 kilo cocaïne op de Noorderlaan in Antwerpen klaarstond om geript te worden. Wie had getipt uit het onderzoek? En wie was de dief?

Zaaksofficier van justitie Fred Teeven kwam in het nauw. Hoe was het nu toch mogelijk dat hij het zicht op de container met cocaïne was kwijtgeraakt terwijl er een gewapende FIOD-man én een Nederlands observatieteam door hem waren ingezet. Teeven moest het antwoord schuldig blijven.

De kamer van de voorzitter

Het zat Teeven zodanig niet lekker dat hij overging tot één van de meer ongebruikelijke en curieuze manoeuvres in zijn loopbaan. In de periode de het proces gaande was stapte hij op 15 mei 1996 in het gerechtsgebouw aan de Parnassusweg in Amsterdam de kamer van de voorzitter van de rechtbank binnen. Hij overhandigde haar persoonlijk aanvullende processtukken.

Er had een criminele burgerinfiltrant in de zaak gewerkt, vertrouwde hij haar toe. Die man had de cocaïne eruit gehaald.

Dat was pijnlijk. Teeven was immers in de IRT-affaire juist degene geweest die – onder ede – bij hoog en bij laag had bezworen dat hij nooit criminele burgerinfiltranten inzette (hij pleegde overigens meineed bij Van Traa, zo staat uitgelegd in Fred en de Wet). Teeven zei het nooit zo uit de hand te hebben laten lopen als het IRT (Teeven gaf in 2014 geen commentaar op vragen die hem werden gesteld naar aanleiding van het boek Fred en de Wet, met verwijzing naar zijn geheimhoudingsplicht).

Het was ook pijnlijk omdat Teeven in deze zaak ook nog aan de voorzitter ter zitting plechtig had verklaard dat er helemaal geen sprake was geweest van de omstreden burgerinfiltrant.

Gejokt, dus wel.

Onde ede

De voorzitter vond het tijd om Teeven ter zitting onder ede te horen. Teeven zei bijna niks. Alleen dat de infiltrant een voortvluchtige verdachte in de zaak was.

De naam van deze verdachte lekte dezelfde dag nog uit: ene Evert Tweehuizen. Tweehuizen zegt terugkijkend dat Teeven zijn naam heeft rondgebazuind en hem in levensgevaar heeft gebracht:

Ik was de informant helemaal niet. Hij wilde mij gewoon op mijn dooie rug hebben.

Willy Van Mechelen

En politiechef Willy Van Mechelen dan? Onder zijn verantwoordelijkheid was de container op de openbare weg geplaatst. Had Van Mechelen de drugs eruit laten halen? Maar welke Nederlander had Van Mechelen dan ingeseind dat er cocaïne in de TRIU462221-6 zat?

De rechtszaak speelde kort na de moord op Martin Swennen in de Blauwe Druif, precies in de periode dat een onderzoeksrechter in Antwerpen Teeven dringend verzocht om Nederlandse informatie over Van Mechelen door te geven, die Teeven nooit gaf. Het Amsterdamse parket wilde de vraagstukken rond container TRIU462221-6, en Martin Swennen en Willy Van Mechelen niet oplossen. Waarom zocht officier van justitie Teeven deze zaken niet tot op de bodem uit om de resultaten van dit onderzoek in het kader van de waarheidsvinding aan een rechtbank of het gerechtshof te overleggen?

Waterdicht

Over container TRIU462221-6 gaven Antwerpse politiebronnen voor het boek Fred en de Wet helemaal niet thuis, terwijl ze anderszins wel spraakzaam waren.

Zo is ook dit verhaal, net als de moord op Swennen, in de oude doos terechtgekomen. Een bijzondere doos, want deze doos werd ook nog eens waterdicht gemaakt. De doos werd tot staatsgeheim gemaakt.

In het boek Fred en de Wet staat beschreven hoe er in de nasleep van de IRT-affaire een bijzondere doofpot werd gemaakt: een staatsgeheim dossier.

Team 2601

Direct na het onderzoek van de Rijksrecherche en de parlementaire enquete van Maarten van Traa ging in 1996 een bijzonder onderzoeksteam aan het werk. Dat team heette “2601” (naar het eerste onderzoek van het nieuwe 26ste (landelijke) politiekorps). De taak was zuiver gericht op het verzamelen van inlichtingen over ernstige corruptie in de IRT-affaire. Kern was na te gaan of (en hoe) corrupte ambtenaren samen met criminele infiltranten drugs hadden geïmporteerd.

Onderzoek 2601 liep parallel aan een tactisch onderzoek naar de strafbare feiten die zouden zijn begaan. Het team was geheim en klein: een paar politiemensen, wat rijksrechercheurs en enkele FIOD-ambtenaren. De leiding was in handen van een advocaat-generaal.

De inventarisatie die het team maakte heette in de wandelgang het “Hak-dossier”. Leden van het team kunnen nog steeds niet spreken over de inhoud van dit dossier omdat ze dan een ernstig misdrijf zouden begaan. Eén bron heeft wel bevestigd dat er in het Hak-dossier werd gekeken naar corruptie bij FIOD- en Douanepersoneel, en naar een aantal verdachte containers en schepen. In 1997 stierf team 2601 een zachte dood. Waarom is de vraag, ‘het werd gestopt van bovenaf’, zegt de bron.

Kern van het IRT-schandaal

Container TRIU462221-6 was één van de dossiers in het Hak-dossier. De kwestie was wie aan Van Mechelen de opdracht gaf om de container apart te zetten. En waar de cocaïne was gebleven.

Een ander dossier van team 2601 behandelde een bedrijf in Hilversum: Ranja bv. Dat bedrijf kwam ook voor in het onderzoek naar container TRIU462221-6. Ranja bv is door verschillende bronnen genoemd als een toenmalige criminele frontstore van de politie. Een van die (anonieme) bronnen staat in het boek Deals met criminelen van journalist Marian Husken. Een andere (criminele) bron merkt op dat dit bedrijf ‘altijd goed’ was als je ergens een partij ‘goedkope sigaretten’ wilde aanschaffen.

Kortom: container TRIU462221-6 moest, net als de kern van het IRT-schandaal, in de vergetelheid raken. In de IRT-affaire kneep het gehele justitiesysteem een oogje toe zodat de Tweede Kamer om de tuin werd geleid. De kern van het IRT-schandaal was dat ernstige ambtelijke corruptie ongemoeid werd gelaten.

Zie ook:

Oude Doos #1: Van Mechelen en de moord op de Haarlemmerstraat